H.H. Timmer, Zuid-Afrika en Paul Kruger (deel 1)

Mijn oma vroeg wel eens of ik in mijn zoektochten naar de geschiedenis van de familie (in het bijzonder onze gezamenlijke voorouders Timmer uit Haarlem en omgeving) ook iets was tegengekomen over banden tussen haar opa H.H. (Hendrikus Hermanus) Timmer en Paul Kruger. Op Eerste Kerstdag 2012 heb ik een vage herinnering van haar opgetekend: Paul Kruger is misschien bij H.H. Timmer verbleven nadat hij uit Zuid-Afrika gevlucht was.

Paul Kruger was president van de Zuid-Afrikaansche Republiek Transvaal. Zelfs dat wist ik eigenlijk niet, maar Wikipedia schiet te hulp. Kruger werd in 1880 verkozen tot president, en later nog drie keer. Maar tijdens de Tweede Boerenoorlog in 1900 vertrok hij met een marineschip naar Nederland. Koningin Wilhelmina ontving hem – het lijkt er dus op dat Kruger dus niet echt afhankelijk was van mijn betovergrootvader. Maar wat was dan wel de link tussen de heren?

H.H. Timmer had ik tot nu toe gezien als koopman. Misschien was hij wel de eerste geweest om fietsen te introduceren in Nederland (ik ben daar nog lang niet zeker van). In verschillende akten heeft hij verschillende beroepen; naast koopman ook koffiehuishouder, kruijer en steendrukker. Fietsschoolhouder staat niet in een akte, maar andere bronnen bevestigen dat weer wel. Niets lijkt te wijzen op banden met Zuid-Afrika.

Via Google Books kom ik echter (dankzij mijn vader, die – heel slim – googelde op “paul kruger h.h. timmer”) bij Jan van Riebeeck tussen wal en schip van Willem-Pieter van Ledden. In het boek staat:

Opmerkelijk aan de belangstelling voor de Boeren was de brede publieke steun onder de Nederlandse bevolking. De liberale Utrechtse hoogleraar P. Harting richtte in december 1880 een pro-Boerbeweging op, waar ook de antirevolutionair A. Kuyper en de links-radicaal H.H. Timmer aan deelnamen.

Dat is interessant! Iets voor dit citaat staat beschreven dat het marineschip Kruger naar Marseille bracht (dus niet naar Nederland) en dat hij via Parijs, Brussel en Keulen uiteindelijk bij Wilhelmina kwam. Zou Timmer dan in die tussentijd nog iets hebben betekend?

Ook de eerste resultaten in de tijdschriftenwebsite van de Koninklijke Bibliotheek geven een ander beeld dan ik kende. In verschillende edities van De Ingenieur schrijft hij over de Zuid-Afrikaansche Republiek (Transvaal) en de noodzaak om politieke banden te versterken en Nederlandse mannen daar te laten werken omdat er zoveel moet gebeuren.

H.H. Timmer, “Directeur van de Transvaalsche Tentoonstelling te Amsterdam” en B.J. Veldhuis, schoonzoon van H.H. Timmer en “Directeur van de Mijncourant (Orgaan voor export naar Zuid-Afrika)” riepen zo ook samen op om hen naar Kimberley te sturen om Nederland te vertegenwoordigen op de Internationale Tentoonstelling in Zuid-Afrika.De Transvaalsche Tentoonstelling in Amsterdam was in de tuin van het Paleis voor Volksvlijt, waar niet alleen goud, zilver, koper en andere ertsen te zien waren, maar ook tarwe, rogge, mais. En “bovendien steenkool, houtsoorten, olifantstanden, struisveeren, huiden enz” (Rijnbode).

In het Stadsarchief Amsterdam moet ook een interessant stuk liggen met betrekking tot de relaties tussen Timmer en Zuid-Afrika: “Circulaire, aan H.H. Timmer te Parijs verzonden, met de tekst van een brief van E.J.P. Jorissen uit Pretoria aan de heer Vorster betreffende de Algemene Boeren Handelsvereniging (1880)”.

Op 15 april 1895 staat er in Het nieuws van den dag een ingezonden brief, gedateerd 1 april 1895, die als volgt begint:

Geachte Redactie!
Beleefd komt de ondergeteekende u een plaatsje verzoeken in uw door geheel Nederland gelezen blad, omdat hij daardoor zekerheid heeft, dat zijn schrijven onder de aandacht komt van duizenden, die in het onderwerp nog wel belang zullen stellen, en er wellicht nog wel eenigen zullen zijn, die, met hem, de handen aan den ploeg willen slaan, om een groot denkbeeld tot werkelijkheid te brengen.

Er volgt een (inmiddels enigszins bekend) betoog dat er mogelijkheden voor het oprapen liggen om fabrieken te starten en te profiteren van de opbrengst van de goudmijnen. Elf jaar eerder was een delegatie uit Zuid-Afrika onder leiding van President Kruger “met buitengewone geestdrift” ontvangen, maar vrij snel daarna

… geleek ‘t wel of wij met lamheid geslagen waren en een ongemotiveerd wantrouwen de overgroote geestdrift en opgewondenheid vervangen had. Het Nederlandsche kapitaal vooral was niet bereid te participeeren in degelijke, gezonde ondernemingen, wel in enkele slechte goudspeculatiën, en daarvan heeft menigeen de wrange vruchten geplukt.

Enkele dagen daarna, op 19 april, blijkt er naar aanleiding van het stuk verschillende malen om het adres van H.H. Timmer te zijn gevraagd. Dat is die dag namelijk om die reden in de krant gezet.

Het adres van den Heer H.H. Timmer, waarom ons door eenigen gevraagd is naar aanleiding van zijn artikel in het nommer van 15 April, is: 1e Constantijn Huygensstraat 15, Amsterdam.

Hier begint het verdere onderzoek naar wat er verder is gebeurd. Het lijkt me inmiddels wel waarschijnlijk dat er contact is geweest tussen mijn betovergrootvader en Paul Kruger, maar welke rol dit contact heeft gespeeld in de wereldgeschiedenis is me nog verre van duidelijk.

In dezelfde editie van Het nieuws van den dag waarin de ingezonden brief van H.H. Timmer staat, staat trouwens ook een advertentie voor Rijtuigfabriek H.J. Overmeijer en zonen. Laat ik nu net hebben ontdekt dat (let op) een tante van Anna Maria Meijer, echtgenote van H.H.’s zoon Henri Herman, trouwde met Jan Hendrik Overmeijer die van beroep stalhouder was. De rijtuigfabriek zegt in de advertentie hofleverancier te zijn. Vet gaaf, toch?

Links naar bronnen:

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *